Voorpublicatie: Bijna zijn wij aan de beurt van Elisabeth Åsbrink

Voorpublicatie: <em>Bijna zijn wij aan de beurt</em> van Elisabeth Åsbrink

Op 28 augustus verschijnt het aangrijpende boek Bijna zijn wij aan de beurt van Elisabeth Åsbrink, over het waargebeurde verhaal van Otto Ullman.

Als Joods kind werd hij op een speciaal transport vanuit Wenen naar Zweden vervoerd. Door een bizarre speling van het lot wordt Otto daar knecht in het gezin van Hitler-aanhanger Kamprad. Ondanks de tegenstellingen tussen hen raken diens zoon Ingvar (de latere oprichter van IKEA) en Otto met elkaar bevriend.
Otto's ouders blijven hem, voor zolang ze kunnen, schrijven vanuit Oostenrijjk: 'Bijna zijn wij aan de beurt.'


Lees hier een exclusieve voorpublicatie.

****


Een kind stond voor een huis, in een grote stad. Het is een vervlogen tijd.

Een rivier deelt de stad als een wond, maar zeven bruggen vormen hechtingen en houden de stad bij elkaar, verbinden de heuvels met het platteland en het groen met uitlaatgassen. Boedapest.
De jongen speelde op het pleintje voor het huis waar hij woonde. Zijn vader werkte, zijn moeder was thuis in hun appartement op een van de onderste etages. Hij had geen broers of zussen, en zijn vriendjes moesten ergens anders zijn geweest. Hij was vijf jaar en misschien vond hij het fijn om alleen te zijn.
Toen kwam er iemand langs, bleef staan en keek naar hem. Een volwassene die zo schreeuwde dat de jongen abrupt ophield met spelen. Het woord zelf had hij nog nooit gehoord, maar de krachtterm, de toon, de wrok spraken voor zich. Net als de blik. Die keek hem recht aan.
Laat ik hier een pauze inlassen.

In een ander land, een andere stad met ander water, met andere bruggen als spanbanden om de stad bijeen te houden, woonde een ander kind: een meisje. In Londen.
Ze ging al naar school, deed mee aan spelletjes met klasgenoten, aan intriges onder vriendinnen en haar grootste wens was om naar het jaarlijkse bal van de jongensschool te gaan. Toen ze de brief met de voorgedrukte uitnodiging daadwerkelijk kreeg, was ze dan ook heel gelukkig – misschien schepte ze op tegenover haar vriendinnen – tot het moment waarop ze besefte dat de kaart met de hand geschreven was; het was een nepkaart, een vervalsing. Iemand (het meisje vermoedde dat er een afgewezen klasgenoot achter de valstrik zat) had haar opgedoft en vol verwachting naar het bal willen zien gaan, om aan de deur smadelijk ontmaskerd te worden door een nee. Het meisje huilde van woede en beklaagde zich bij haar moeder.
Haar moeder werd ook boos, en sprak met de vader van het meisje; ze zouden naar de rector moeten stappen, de bedrieger moest gestraft worden en excuses aanbieden aan hun dochter. De vader liet zich er echter niet door beroeren maar antwoordde met een ‘Ssst’ en een ‘Niet doen’. Daarna gebruikte hij een woord dat het meisje sindsdien heeft verafschuwd en altijd heeft verloochend. Hij zei: ‘Nee, dat doet een (het woord) niet. Wij lossen problemen niet op door nieuwe te veroorzaken, wij maken geen heibel. Het sprietje dat buigt in de wind, breekt niet.’

Het meisje herinnert zich het gevoel van verraad nog steeds, hoewel ze inmiddels tachtig is. Geen genoegdoening te krijgen, zonder verdediging te staan, geïdentificeerd te worden met dat woord – dit alles zorgde voor een inwendige barst.
Toevalligerwijs was het hetzelfde woord (met de toevoeging ‘vuile’) dat het spelende jongetje van de onbekende had gehoord. En omdat hij nog maar vijf jaar was, had hij het niet begrepen, maar was hij de voordeur binnengegaan en was de trappen opgelopen naar zijn moeder en had gevraagd: ‘Vuile Jood, wat betekent dat?’
Zijn moeder zei niet dat ze hem had laten dopen. Ze zei slechts dat er twee soorten mensen zijn: goede en slechte, en zo werd de wereld iets begrijpelijker voor een kind.

Toevalligerwijs ontmoetten de jongen uit Boedapest en het meisje uit Londen elkaar als volwassenen, herkenden ze elkaars innerlijke afgrond en werden verliefd.
Toevalligerwijs kregen ze later zelf een kind, en lieten ze haar het gevoel van vreemdelingschap erven – dat was immers zo overvloedig aanwezig. Ze lieten haar ook kennisnemen van dat woord, maar alsof het een aandoening was. Ze kreeg te horen: ‘Ssst.’ Ze kreeg te horen: ‘Hoe minder mensen het weten, des te beter.’ En later: ‘Goed dat je kinderen een niet-Joodse vader hebben, dan gaat het sneller uit het bloed.’

Dit is geschiedenis, de mijne.

-----

Mutti. Papa. Het is alsof jullie nooit hebben bestaan.
Toch ben ik geboren.



We kennen elkaar niet, maar ze heeft mijn boek gelezen. Bij onze eerste ontmoeting hebben we elkaar nauwelijks gesproken.
De keer erop gingen we samen een hapje eten en daarna naar een concert. Daar, op een plek die ons allebei onbekend was, in een geluidsruimte van versterkte gitaren en bassen, begon ze te praten. Het was niet makkelijk om te verstaan wat ze zei. Maar ze kwam naderbij. Ze droeg iets met zich mee en probeerde een brug te bouwen met de woorden, zodat de last me kon bereiken.
Zou je haar naar haar afkomst vragen, dan zou ze Smaland antwoorden.

Toch geeft ze me vijfhonderd brieven uit Wenen.
Eerst weet ik niet of ik ze wil hebben.
Later kan ik nergens anders aan denken.
Ze liggen in een grote, witte doos met een slot, gemaakt van hard karton en gekocht bij IKEA. Je zou kunnen denken dat dit feit berust op de ironie van een lot of – als je geneigd bent tot psychologische interpretaties – op een uiting van haar onderbewuste. Misschien een resultaat van gevoeligheid, of zwarte humor.
Otto heeft de brieven gesorteerd. Sindsdien heeft niemand ze eigenlijk aangeraakt, laat staan gelezen. Maar zij, Otto’s dochter, weet toch wat ze inhouden. Een touwtje eromheen, een simpele knoop scheidt de stapels, het ene jaar van een ander.
Zijn de brieven oud, is zeventig jaar lang? Of een periode korter dan een mensenleven en van even twijfelachtige waarde. Goed. In die witte doos hebben ze gelegen, dicht beschreven, in chronologische volgorde, een epicentrum van verdriet.

Jarenlang waren de herinneringen ongebruikt geweest. Alsof ze lagen te wachten tot hij de stap naar binnen zou zetten, naar de schaduwen en de bomen. Maar hij had een andere kant opgekeken.
Weggedacht.

Toen kreeg hij plotseling een sleutelbos in zijn hand gedrukt. Er kwam een brief, een envelop met foto’s: dagen zonder volgorde, momenten zonder datum, blikken zonder woorden.
Mitzi had zich natuurlijk over de foto’s ontfermd en ze bewaard. En toen alles voorbij was, had ze een kleine envelop in een grote gestopt, er Otto Ullmanns naam op geschreven en het geheel naar hem in Zweden gestuurd.
Hij had zichzelf onder ogen gekregen. Hij was door de lichte blik van zijn vader getroffen. Josef! Hij had zijn kinderlichaam verankerd in de armen van zijn moeder gezien.
Die Blade, het dikkerdje, hadden ze Elise genoemd vanwege haar rondingen en zachte vlees.

Otto en papa hadden een team gevormd, de mannen tegen de moeder, en hadden zich zo vaak mogelijk ten koste van haar geamuseerd. Vervolgens bekommerde ze zich om hen als ze koorts hadden en maakte ze zich zorgen als ze te lang buiten in de kou of de regen
waren geweest.
Papa en Mutti hadden Otto’s wereld onderling verdeeld. Ze hadden hun kind laat in hun leven gekregen, en hun zoon werd een vanzelfsprekend middelpunt, ze verloren hem geen moment uit het oog. De bezorgde Elise had zich over zijn gezondheid en comfort ontfermd. Zij had ervoor gezorgd dat zijn lievelingskostje werd klaargemaakt, dat zijn kleren vervangen werden door nieuwe, schonere en grotere als het tijd was, en dat de geringste schram zorgvuldig werd verbonden. Papa daarentegen had hem mee naar buiten genomen, zijn zintuigen opgerekt en de wereld geopend. Het rode fluweel van de opera. De boksring. De balletschool. Een zuivere backhand op de tennisbaan. De gesprekken langs het Donaukanaal over voetbal, god en het belang van een goede opleiding. Dat was Josef.

Op de foto’s van eind jaren dertig stonden ze zoals ze er ooit hadden uitgezien, in het licht van dagen dat allang was gedoofd. Daar stonden mannen met schaduwzwarte hoeden naast vrouwen in wijde, geruite jurken. Daar zag je Josef onder aan Oostenrijkse bergen en Elise ’s zomers met witte sokken in lage schoenen.
Heeft Otto die nacht van ze gedroomd? Waren ze nog steeds zo groot als ouders, hoewel hij ze lang geleden al boven het hoofd was gegroeid? Waren ze nog steeds vijfenveertig, hoewel ze dood waren?
Waren ze nog steeds nabij met hun liefde?

Josef moest zijn camera altijd bij zich hebben gehad. Misschien poseerden ze daarom zo zelden, maar werden ze afgebeeld terwijl het dagelijks leven voortging, tijdens de wandelingen, op de trottoirs, in de parken. Straat na straat van het grote Wenen werd doorkruist terwijl de foto’s werden genomen – snapshots, vol zomer. De warmte was te zien in hun gezichten, in de druk op hun voorhoofd, aan Elises luchtige jurken. Otto in lederhosen, met een knuffelkonijn in zijn hand of terwijl hij een schooltas droeg. Otto met de foxterrier van tante Mina, die altijd aan de riem trok. Otto die kwam aangestept. Elise op vakantie, in een lommerrijke tuin op het platteland of in een warme zee, kijkend naar het strand. Durfde ze een duik te nemen?

Op alle foto’s zag Josef er tevreden uit. Hij maakte de collega naast hem aan het lachen, je kon aan zijn blik zien dat Josef zojuist iets geestigs had gezegd. Hij hield zijn zoon in zijn armen, hij speelde en voerde gesprekken alsof hij niets beters wist dan het leven met zijn dikke echtgenote en hun kleine Otto.

Herinneringsbeelden. Ideaalbeelden. Het aanroepen van onttroonde machten.
Wenen is de stad midden in Europa waar ze ooit liepen met een paraplu als bescherming tegen de hete zomerzon, duiven voerden in het park, balletje trapten, een ijsje aten en hun leven als gezin leidden.


Dinsdag 28 augustus is Bijna zijn wij aan de beurt verkrijgbaar in uw (online) boekhandel.