A.F.Th. van der Heijden Asbestemming
1) ‘Ik besloot me aan de feiten te houden, en hun weergave enigszins te stileren’, schrijft A.F.Th. van der Heijden (p. 285). Desondanks ondertitelt hij Asbestemming met een verwijzing naar een muzikaal kunstwerk, het requiem. Hoe verhouden ‘feitenrelaas’ en ‘stilering’ zich in het boek tot elkaar. Wijkt Van der Heijden daarmee af van zijn zelf opgelegde ‘beperking’, en is er sprake van een verkenning van de grenzen tussen leven en letteren? Hoe dan?
2) Hoe kan de relatie vader-zoon-kleinzoon het best worden omschreven? Waar in het boek breekt de vader door zijn schild van weerbarstigheid in het contact met zijn zoon? Welke invloed heeft dat op hen beiden?
3) In het hoofdstuk ‘Wrijfpost’ herinnert de auteur zich hoe zijn moeder ‘op bovenaardse wijze’ brieven kon posten. De moeder blijft in het verhaal verder op de achtergrond. Hoe beoordeelt u haar betekenis voor het gezin? In de context van de anekdote over zijn moeders ‘wrijfpost’ is er eveneens aandacht voor het handschrift van de vader. Om welke reden(en) hebben deze jeugdherinneringen een plaats in het boek gekregen? Welke waarde hecht Van der Heijden aan het schrijven van brieven?
4) Als ‘filosoof van alledag’ (p. 165) vlecht Van der Heijden een aantal beschouwingen door zijn relaas. In welke passages gebeurt dat? Welke visie op het leven wordt hier gedemonstreerd? Hoe verhoudt u zich tot deze opvattingen?
5) De schrijver moet in zijn werk het ondraaglijke niet met humor te lijf gaan, schrijft Van der Heijden aan het begin van het hoofdstuk ‘Jesus Borrel’. Heeft Van der Heijden humor in het boek vermeden? Van welke literaire stijlmiddelen maakt hij gebruik?