Désanne van Brederode Het opstaan

Désanne van Brederode <i>Het opstaan</i>

1) De titel Het opstaan zou kunnen verwijzen naar begrippen als opstandigheid, opstanding, opstaan in de zin van steeds opnieuw beginnen of juist het tegenovergestelde: zich weer aan de sleur van alledag overgeven. Welk(e) begrip(pen) acht u van toepassing op de hoofdpersoon en waarom? Zijn ze ook van toepassing op andere personages? Welke dan?
2) Het boek opent met een lied van Martin Gore, ‘New Dress’. Welk verband is er tussen deze tekst en de roman?
3) ‘Een kunstenaar moet zich niet op de mening van anderen verlaten, maar gehoor geven aan de Luciferische strevingen van zijn gemoed’ (p. 37), laat de schrijfster een van haar personages zeggen. Wordt hier verwezen naar een opdracht die elke schrijver zichzelf moet stellen? In hoeverre zal deze bewering voor Désanne van Brederode een leidraad zijn geweest bij het schrijven van haar roman?
4) ‘Zo romantisch ben ik nou ook weer niet. Wat ik wil, is uit mijn eigen onvervreemdbare puinhopen een man opdiepen met wie ik alsnog kan leven. Een personage van vlees en bloed dat beter dan ikzelf past in het verhaal, een karakter dat de pen opneemt en zelf de ontknoping schrijft. Ik wil een leefbaar ik’ (p.59). Hoe kan het karakter van Rudolf de Winter het best worden getypeerd? De fasen in zijn leven zijn verbonden met drie vrouwen, Anne, Barbara en C(éline) – wat hebben zij voor hem betekend? Slaagt hij erin zijn leven een nieuwe wending te geven in de betekenis van ‘een leefbaar ik’?
5) In een nagelaten brief voor hun zoon Bouwe spreekt Anne haar waardering uit voor het begrip dat Rudolf toonde in verband met haar voorgenomen zelfmoord. Hij zou zich over zijn verdriet hebben heen gezet om haar de vrijheid te geven. Wat vindt u van deze houding? Hoe oordeelt u over de daad van Anne?
6) In de roman gaat het aardse leven over in een zielenbestaan waarvan Anne verslag doet. Welk beeld wordt in dit verhaal gegeven van ‘de ziel’ en haar omgeving? Hoe denkt u hier zelf over?
7) Hoe is de roman het best te karakteriseren en welke motivering heeft u daarvoor: als het portret van een lethargische vijftiger, als een kritische analyse van het moderne leven of als een geëngageerde en soms satirische beschrijving van onze tijd?