Thomas Rosenboom Zoete mond

Thomas Rosenboom <em>Zoete mond</em>

1. De roman Zoete mond heeft een opmerkelijke structuur: een zeer groot eerste deel, gevolgd door twee kleine delen. Wat kan hiervoor de reden zijn? Bespreek deze indeling aan de hand van het tijdsverloop in de roman: in welke delen loopt het verhaal door, en welk deel vertegenwoordigt een terugblik?

2. Met de eerste vraag samenhangend: het levensverhaal van Jan de Loper wordt lineair verteld, dat van Rebert van Buyten niet. Hoe zit de chronologie van zijn leven in elkaar?

3. Behalve de eerder genoemde opmerkelijke structuur, kent de roman ook een klassieke verhouding tussen de personages. Een protagonist is degene om wie het verhaal draait; omdat hij iets wil veranderen moet hij keuzes maken, die positieve of negatieve gevolgen kunnen hebben; aan het einde heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt. De tegenhanger, het tweede personage, is de antagonist; hij wil meestal het tegenovergestelde en doet zijn best het de protagonist zo moeilijk mogelijk te maken. Deze twee zijn even belangrijk in het verhaal. Een derde, de tritagonist, geeft vaak de inzet van het conflict weer en komt slechts enkele keren voor in het verhaal.
Benoem de protagonist, de antagonist en de tritagonist in Zoete mond.

4. Breng de ‘Proloog’ in verband met de roman: is er een situatie of is er een persoon voor wie de witte walvis symbool kan staan?

5. Thomas Rosenboom staat erom bekend dat hij een historische periode zeer nauwkeurig, tot in het woordgebruik aan toe, weet weer te geven. In Zoete mond schetst hij een tamelijk recente geschiedenis, de jaren vijftig en zestig, maar toch lezen we weinig over kleding, attributen of komen we specifiek in die tijd gebruikte woorden tegen. Miste u dat? Of vulde u het wellicht aan met uw eigen beelden uit de recente geschiedenis?

6. Kunt u de titel Zoete mond verklaren? Breng die in verband met de beide hoofdpersonen.

7. Volkskrant-criticus Arjan Peters noemde Thomas Rosenboom eens een ‘meester in het uitstel’. Hij zou het verhaal zo opbouwen dat de lezer voortgetrokken wordt uit nieuwsgierigheid naar hoe het verder gaat, maar ondertussen zich ook verlustigt aan minutieuze uitweidingen. Zit dat tergende, haast treiterende uitstel ook in Zoete mond?

8. In 1966 is er daadwerkelijk een witte walvis de Rijn op gezwommen, daar is niets aan verzonnen. Bent u van mening dat een schrijver gebeurtenissen uit de werkelijkheid zomaar mag overnemen? En moet die beschrijving dan historisch verantwoord zijn of mag hij daar ook gefictionaliseerde scènes naadloos invoegen? Veranderde uw oordeel positief of negatief door het feit dat het boek deels op waargebeurde geschiedenissen is gebaseerd?

9. ‘Eenmaal tweemaal’, de titel van een hoofdstuk in Zoete mond, is exemplarisch voor het hele boek. Welke terugkerende zaken zijn u opgevallen? Welke herhalingen vond u mooi, en aan welke herhalingen begon u zich soms bijna te ergeren?

10. De roman beschrijft twee mannen, die buitenstaanders zijn in het dorp – maar daar houdt de overeenkomst ook meteen mee op: ze zijn elkaars tegenpolen. Beschrijf de tegenstelling in persoon en in de ontwikkeling die ze doormaken.