Willem van Toorn Stoom
1) De tegenstelling tussen stad en platteland is een constante in Stoom. Hoe verbeeldt de auteur de stad, hoe het platteland? Hoe hebben stad en platteland de ontwikkeling van Maarten Corbelijn beïnvloed? Welke personages en observaties zijn in deze verschillende levenssferen van belang voor hem? Verloopt zijn denken over zijn plaats in de samenleving langs lijnen van geleidelijkheid of zitten daar breuken in?
2) De positie die Maarten Corbelijn in de roman inneemt is die van een relatieve buitenstaander met een min of meer complexe geaardheid. In welke passages toont hij twijfel, terughoudendheid en weerspannigheid, waar beslistheid, onbevangenheid en bezieling? Hoe beleeft hij zijn hang naar vrijheid en hoe geeft hij vorm aan zijn drang naar kennis?
3) Vrouwen nemen in het leven van Maarten Corbelijn een opvallende plek in. Wat betekenen respectievelijk zijn moeder, juffrouw De Jeude, Truida, Jana, Marie en Clara voor zijn (seksuele) emancipatie? Elsbeth Etty opperde in haar recensie van de roman in NRC Handelsblad dat de vrije liefde zoals beschreven in de relatie tussen Maarten en Clara een anachronisme is in de roman. Heeft ze daarin gelijk? En als dat zo is, mag de romancier zich deze vrijheid dan veroorloven?
4) De roman vonkt van optimisme over de grote toekomst die het socialisme zal brengen. Is er, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen aan het eind van de negentiende eeuw, evenwicht tussen romantisering en historisering in de roman. Hoe brengen de diverse romanfiguren de nieuwe ideeën alvast in praktijk in hun dagelijkse leven?
5) Historische figuren die de roman bevolken zijn onder andere Troelstra, Domela Nieuwenhuis en Gorter. Wat waren hun opvattingen over de te volgen strategie bij het bereiken van hun idealen? Hoe verhielden ze zich tot elkaar? Valt er aan de roman iets af te lezen over het maatschappelijk engagement van de auteur?